Het was een van die vroege zaterdagochtenden waarop de lucht net begon op te warmen, maar de koelte van de nacht nog net niet helemaal verdwenen was. De tuin was rustig, de bomen nog niet volledig in bloei, maar toch gaven ze een schaduw die de zonnestralen zacht filterde. Het was een plek waar je je tijd leek te kunnen vertragen, waar elke stap op het grindpad rustig klonk en de stilte werd afgewisseld door het zachte gekwetter van vogels.

In de hoek van de kloostertuin stond een klein, houten kraampje waar het geurige aroma van gebakken appeltaart zich mengde met de frisse geur van bloemen. Het was een bescheiden plekje, maar het had een charme die je niet snel zou vergeten. Hier, in het oude klooster dat inmiddels was omgetoverd tot een rustgevende tuin, was de appeltaart van de nonnen beroemd. Het was niet zomaar een appeltaart – het was een appeltaart die je terug in de tijd bracht, naar eenvoudiger dagen, waarin de geur van appels en kaneel alles was wat je nodig had om je gelukkig te voelen.

Op een bankje dichtbij het kraampje zat een vrouw, Marieke, met haar ogen gesloten, haar gezicht naar de zon gericht. Ze was hier al eerder geweest, maar vandaag had ze iets meer nodig dan de rustige tuin. Ze had iets te verwerken, iets wat haar hart al weken zwaar maakte. Haar gedachten waren druk, maar hier, in de stilte van de kloostertuin, leek het alsof alles even stil stond. De geur van de appeltaart deed haar denken aan vroeger, aan de zomers van haar jeugd toen haar moeder elke zondagmiddag een appeltaart bakte. Het was haar favoriete geur, en die had ze al jaren niet geroken.

Ze stond op, haar voetstappen zacht op het grind, en liep naar het kraampje. De non die het runde, een oudere vrouw met een warme glimlach, stond rustig achter de toonbank, haar handen gevouwen voor zich. “Zal ik je een stukje appeltaart inschenken, meisje?” vroeg de non zonder enige haast. Haar ogen straalden iets rustgevends uit, als de tuin zelf.

“Ja, alstublieft,” zei Marieke, haar stem zacht maar vol verwachting. Ze ging op het houten bankje naast het kraampje zitten en wachtte. De non snijdde een flinke plak van de goudbruine taart en legde die op een bord, het kaneelgeurige damp kwam al snel haar kant op.

“Deze taart is niet zomaar een taart,” zei de non terwijl ze de vork aan Marieke overhandigde. “Het is een herinnering aan alles wat je vergeten bent, en alles wat je hebt meegemaakt. Het maakt niets uit hoe je je voelt; de appeltaart is er altijd om je even terug te brengen naar wat belangrijk is.”

Marieke nam een hap. Het was warm, het deeg smolt in haar mond, en de zoete appels mengden zich perfect met de kaneel. Een glimlach trok over haar gezicht, een glimlach die ze niet eens wist dat ze had. Terwijl ze verder at, voelde ze een soort rust in haar buik. De appeltaart had iets in haar losgemaakt, iets wat ze al die tijd had verdrongen. Een stilte vulde haar, niet van leegte, maar van acceptatie.

De kloostertuin was een plek voor reflectie, voor stilte, maar vooral voor kleine wonderen – zoals een stukje appeltaart dat je even terugbrengt naar wie je werkelijk bent.

Plaats een reactie

meer verhalen