Iedereen in de straat kende meneer Van Dijk. Hij was de huisbaas van het oude, maar gezellige appartementencomplex aan de rand van het centrum. Een man met een grijze snor, altijd gekleed in een spijkerbroek en een geruite blouse, en steevast met een sleutelbos die zo groot was dat je hem al hoorde aankomen voordat je hem zag.

Elke zaterdag kwam hij langs. Niet omdat hij móést, maar omdat hij dat nou eenmaal deed. Hij controleerde of alles nog werkte, tikte op ramen als hij zag dat iemand een kapotte plant had staan (“Zou je die niet eens water geven?”), en stopte soms een boodschappentas in iemands handen als hij wist dat diegene het moeilijk had.

“Een huisbaas moet meer zijn dan iemand die de huur incasseert,” zei hij altijd.

De huurders hadden allemaal hun eigen band met hem. Mevrouw Yilmaz uit nummer 5 gaf hem elke week een stukje baklava. Jasper van de tweede etage probeerde al maanden uit te vogelen hoeveel sleutels er precies aan die sleutelbos hingen. En Lisa, die op de bovenste verdieping woonde, vond het heerlijk om hem te observeren vanaf haar balkon.

Op een dag, terwijl ze haar koffie dronk, zag ze hem stuntelen met een zware zak cement. Zijn gezicht stond vastberaden, maar de zak leek te winnen.

“Zal ik even helpen?” riep ze naar beneden.

Hij keek op, blies een lok grijs haar uit zijn gezicht en haalde zijn schouders op. “Als je toch niks beters te doen hebt.”

Samen sleepten ze de zak naar de kelder. Toen ze hem neerzetten, grinnikte hij. “Ik word oud.”

“Of je neemt gewoon te veel hooi op je vork,” antwoordde Lisa.

Hij lachte en klopte op zijn sleutelbos. “Zolang deze nog werkt, blijf ik gaan.”

Vanaf die dag veranderde er iets. Meneer Van Dijk bleef nét iets langer hangen na zijn rondes. Hij nam een keer plaats in de gezamenlijke tuin en at daar een stuk taart dat iemand hem aanbood. Op een andere zaterdag zette hij een doos oude boeken neer met een briefje: Gratis meenemen, maar wél terugzetten als je het niks vindt.

Hij was nog steeds de huisbaas die alles regelde. Maar hij werd ook een beetje de opa van het complex. Niet omdat hij dat wilde, maar omdat het nou eenmaal zo ging. En als hij op een ochtend zijn ronde deed en iemand hem vrolijk groette, dan mompelde hij iets onverstaanbaars terug—maar met een twinkeling in zijn ogen.

Plaats een reactie

meer verhalen