Op een gewone dinsdagochtend fietste Noor door de stad, op weg naar haar werk. Het was nog vroeg, de lucht rook naar koffie en nat asfalt, en de vogels floten alsof ze het lentezonnetje persoonlijk welkom heetten. Alles leek vredig… tot Noor de hoek om sloeg naar het plein.

Overal lag troep.

Fastfoodverpakkingen, lege blikjes, plastic zakjes die als doorzichtige spoken over de stoep gleden. Alsof er ’s nachts een feest was geweest waar niemand zich verantwoordelijk voelde om op te ruimen.

Ze zuchtte. “Waarom laten mensen hun rommel gewoon vallen? Alsof het vanzelf verdwijnt.”

Terwijl ze afstapte, merkte ze iets op. Er zat een man op een bankje, gekleed in een oude, rafelige jas, met een hoed die zijn gezicht grotendeels verborg. Hij had een stok bij zich, maar geen gewone. Aan het uiteinde zat een grijper, versierd met kleurrijke touwtjes en belletjes. Hij prikte stukjes afval op, één voor één, alsof het een kunstvorm was.

Noor kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen.
“Wat doet u?”

De man keek op. Zijn ogen fonkelden, blauw als de zee op een heldere dag.
“Ik luister naar wat de stad fluistert,” zei hij. “En ik ruim op wat vergeten wordt.”

“Maar… het is zoveel. Dat redt u toch nooit in uw eentje?”

De man glimlachte. “Soms begint een verandering met één papiertje minder. En soms, met iemand die besluit niet door te fietsen, maar even afstapt.”

Hij gaf haar een grijper, eentje met een gele bloem eraan geknoopt. “Voor jou.”

Vanaf die dag fietste Noor nooit meer gedachteloos voorbij afval op straat. En af en toe, als ze goed keek, zag ze aan de overkant een flits van een hoed en een stok met belletjes — alsof de stad haar een knipoog gaf.

Plaats een reactie

meer verhalen