‘Ik ben toch zo onhandig!’ Emma stuurde een foto via WhatsApp in de groepsapp van haar familie.
Ze bekeek de blauwe plek op haar onderarm nog eens van dichtbij, terwijl ze haar telefoon op de tuintafel legde. De vlek was paars-blauw, met een gelige rand die verried dat het geen verse was.
Ze wist niet eens meer waardoor die was ontstaan. Misschien toen ze vanochtend haastig langs het bed was gelopen. Of misschien had ze zich in de keuken weer gestoten zonder het te merken.

De zon zakte langzaam weg achter de schutting. Het was zo’n nazomeravond waarop de lucht loom hing, maar voor haar voelde alles kil. Ze had een lange dag achter de rug, de meeste tijd doorgebracht achter haar laptop in de keuken. Geen zin gehad om te koken, geen trek in een volle maaltijd.
Met een crackertje als avondeten was ze nu aan het wachten. Wachten tot het 19:00 was. Dan zou Sebas bellen.

Sebas.
Al meer dan acht jaar waren ze samen, maar ook niet helemaal. Hun relatie had altijd iets van een tussenstation gevoeld: nooit echt kapot, maar ook nooit volledig heel. Soms waren ze wekenlang onafscheidelijk, en soms maandenlang vreemden. En toch bleef hij terugkomen. Of zij bij hem. Het was maar hoe je het bekeek.

Ze keek op de klok van haar telefoon: 18:47.
Ze overwoog om hem alvast te bellen, maar ze wist hoe dat zou overkomen.
Hij had haar laatst nog gezegd: “Je moet me wat ruimte laten, Em. Niet altijd als eerste appen of bellen.”
Dus hield ze zich in.

Ze stond op om nog een glas water te pakken. Terwijl ze in de keuken stond, ving ze haar spiegelbeeld in het raam op. Donkere kringen onder haar ogen. Haar haar slordig vastgebonden. En die blauwe plek op haar arm trok weer haar blik.
Ze fronste.
Sinds een paar maanden had ze ze vaker. Blauw, paars, soms zelfs bijna zwart. Sebas zei altijd dat ze gewoon lomp was. Dat ze niet op moest letten, dat ze er te veel achter zocht.

Maar toch.
Ergens knaagde er iets.

18:59.
Ze liep terug naar de tuin, zette haar telefoon precies voor zich neer en staarde ernaar alsof dat de bel zou versnellen.
Het scherm lichtte op. Sebas belt…

‘Hee,’ zei hij. Zijn stem klonk een beetje afwezig, alsof hij ergens anders met zijn gedachten zat.
‘Hoi…’
Er viel een stilte. Zij wachtte altijd tot hij het gesprek op gang bracht.
‘Hoe was je dag?’ vroeg hij uiteindelijk.
Ze vertelde kort over haar werk, het crackertje, en die blauwe plek.
Hij lachte. “Je bent echt een kluns.”
Er zat iets in die lach dat haar niet helemaal geruststelde.

‘Wanneer zie ik je weer?’ vroeg ze.
‘Eh… weet ik nog niet. Deze week is druk. Volgende misschien.’
Ze kneep haar ogen samen. ‘Volgende week? Sebas, het is alweer drie weken geleden.’
Hij zuchtte. ‘Em, je weet hoe het zit. Ik heb gewoon veel aan mijn hoofd.’

Ze slikte. Ze wist inderdaad hoe het zat. Of dacht dat ze het wist. Maar elke keer als hij zich zo terugtrok, voelde het alsof er iets van haar werd afgepakt.

Toen hij ophing – na een kort “Spreek je later” – bleef ze nog een tijdje naar het lege scherm staren.
De avond was donkerder geworden. Haar cracker lag nog steeds half opgegeten op het bord.

Ze dacht terug aan de eerste keer dat ze een blauwe plek had gefotografeerd. Toen was het een grapje geweest. Ze had hem gestuurd met een bijschrift: “Misschien moet ik maar bubbeltjesplastic dragen.” Sebas had toen een foto teruggestuurd van een pak bubbeltjesplastic met de tekst “Deal”.
Ze had gelachen. Toen wel.

Maar de laatste maanden waren de plekken niet alleen vaker, maar ook groter.
Soms wist ze niet meer of ze echt zo onhandig was, of dat ze gewoon dingen vergat.

Haar telefoon trilde. Een berichtje in de familie-app:
Papa: Je moet wat meer ijzer eten, Em. Je ziet er mager uit.
Ze zuchtte. Haar vader bedoelde het goed, maar ze wist dat hij haar altijd te fragiel vond.

Ze legde de telefoon weg en ging naar binnen. De stilte in huis drukte zwaar. Ze pakte een deken, nestelde zich op de bank, maar de onrust bleef.

Een deel van haar wilde Sebas nu bellen, hem vragen wat er écht aan de hand was. Een ander deel wist dat hij dan zou zeggen dat ze zich aanstelde.
Ze keek naar haar arm, naar die paars-blauwe vlek die langzaam geel werd aan de randen.
En ze dacht: Hoeveel plekken moeten er nog komen voordat ik iets verander?

Buiten tikte de regen zacht tegen de ramen. Het geluid vulde de kamer als een fluistering.
Ze sloot haar ogen, maar haar gedachten bleven malen.
In de schemering leek alles tegelijk verder weg en dichterbij. De blauwe plekken, de afstand tussen haar en Sebas, en dat onbestemde gevoel dat er iets niet klopte.

En diep vanbinnen wist Emma dat wachten tot 19:00 niet het enige was waar ze al te lang mee bezig was.

Plaats een reactie

meer verhalen