De volgende ochtend werd Emma wakker van het felle zonlicht dat door de kieren van de gordijnen scheen. Haar arm voelde zwaar. Ze draaide zich om, trok haar mouw op, en zag dat de blauwe plek van gisteren donkerder was geworden. Daarnaast zat er nu nóg eentje, net boven haar pols.

Ze ging rechtop zitten en probeerde te bedenken waar dat vandaan kwam. Gisteren had ze nauwelijks iets gedaan. Geen stoten, geen sport, geen valpartijen. Toch was het er.

Haar telefoon piepte. Een bericht van Sebas:
Goedemorgen. Lange dag voor de boeg. Bel je vanavond misschien.

Misschien.
Dat woord was als een koude douche.
Hij zat nu al drie maanden in Noorwegen voor zijn werk aan een offshoreproject. De weekenden dat hij zou terugkomen, had hij telkens afgezegd. Altijd vanwege “logistieke problemen” of “extra vergaderingen”. Emma had geprobeerd begripvol te blijven, maar de afstand vrat aan haar.

Ze liep naar de badkamer, zette de kraan aan, en bekeek zichzelf in de spiegel. Haar wangen waren iets boller geworden de laatste tijd, en er zat een vreemde roodheid op haar huid. Ze haalde haar hand door haar haar — het voelde dunner dan normaal.

Een herinnering flitste door haar heen.
Een paar weken geleden had haar collega, tijdens een koffiepauze, gezegd: “Jij hebt wel vaak blauwe plekken, hè? Is dat niet slecht voor je?”
Ze had gelachen, het weggewuifd. Maar nu…

Ze opende haar laptop en begon te zoeken: blauwe plekken zonder oorzaak, dikke gezichtswangen, vermoeidheid.
Na een paar minuten lezen stokte haar adem.
De symptomen die ze zag, leken één voor één te passen: gewichtstoename in het gezicht en bovenlichaam, dunne armen en benen, snelle blauwe plekken, extreme vermoeidheid.
Cushing.

Ze voelde een golf van paniek.
Het was alsof de losse puzzelstukjes van de laatste maanden ineens in elkaar klikten. De rare stemmingswisselingen, haar steeds kortere lontje, het slapen midden op de dag. En de blauwe plekken, altijd die blauwe plekken.

Ze wilde Sebas bellen. Hem vertellen wat ze net had gelezen.
Maar ze wist dat hij waarschijnlijk zou zeggen: “Ga niet Googelen, Em. Je maakt jezelf gek.”

In plaats daarvan belde ze de huisarts.
‘De eerste afspraak is volgende week dinsdag,’ zei de assistente.
Volgende week. Dat voelde als een eeuwigheid.

De rest van de dag werkte ze nauwelijks. Haar hoofd tolde.
Wat als dit echt Cushing was? Wat als het niet vanzelf over zou gaan?
Ze probeerde zich te herinneren wanneer het allemaal begonnen was. Misschien vorig jaar al, in die stressvolle periode toen Sebas voor het eerst naar het buitenland ging. Toen ze hem minder zag, maar ook steeds vaker die blauwe plekken ontdekte.

Die avond belde Sebas wel, maar kort. Hij klonk moe.
‘Ik denk dat ik ziek ben,’ zei Emma voorzichtig.
‘Ziek? Hoe bedoel je?’
‘Ik… ik heb allemaal symptomen. Blauwe plekken, m’n gezicht is anders, ik… misschien is het Cushing.’
Er viel een stilte.
‘Em,’ zei hij uiteindelijk, ‘ik kan er nu niet op ingaan. Ik zit midden in een briefing. Rustig aan, oké? We praten later.’

Het gesprek was over voordat ze het doorhad.
Ze bleef achter met het geluid van de lijn die doodging.

Emma keek naar haar armen. Twee nieuwe plekken waren erbij gekomen.
Ze voelde zich ineens heel alleen, alsof niet alleen Sebas, maar de hele wereld ver weg was.

Toch wist ze één ding: ze kon niet blijven wachten.
Niet op 19:00.
Niet op Sebas.
Niet op misschien.

De volgende ochtend zou ze zelf naar het ziekenhuis gaan.

Plaats een reactie

meer verhalen