Mijn opa woonde op een woonboot, een beetje verscholen in een rustige havenrand. Voor veel mensen was het gewoon een drijvend huis, maar voor mij was het een magische plek. Het water kabbelde zachtjes tegen de romp, de zon spiegelde zich in het oppervlak, en zodra je binnenkwam rook je altijd een mengeling van hout, koffie en – hoe kan het ook anders – abrikozenjam.

Die jam hoorde bij opa, zoals de woonboot en de oude tafeltennistafel op de steiger bij hem hoorden. Elke dag had zijn vaste rituelen, en het mooiste moment was altijd het toetje. Niet ingewikkeld, geen groot gebaar, maar een schaaltje yoghurt met abrikozenjam. Toch was dat toetje veel meer dan zomaar eten: het was een stukje van zijn levenswijze.

Ik zie hem nog zitten, zijn brede handen die moeiteloos een potje jam opendraaiden. Hij schepte een lepel bovenop de yoghurt, nooit erdoorheen geroerd. “Zo proef je het beste van beide,” zei hij altijd. En dan knipoogde hij: “Als je ongeduldig bent, ga je mengen, maar soms is het mooier om de lagen apart te beleven.” Ik roerde natuurlijk toch, want als kind kon ik moeilijk wachten. Toch bleef zijn les hangen: dat je niet altijd alles meteen door elkaar hoeft te gooien, dat sommige dingen tijd mogen krijgen.

Na het eten trok hij vaak de tafeltennisbatjes tevoorschijn. Achter de woonboot, op de houten steiger, stond een wat scheve tafeltennistafel die hij zelf in elkaar had gezet. De bal stuiterde er nooit helemaal recht op, maar dat maakte het juist leuk. We speelden tot de schemer inviel, terwijl eenden nieuwsgierig dichterbij kwamen. Opa lachte om mijn fanatisme en liet me soms winnen – al zei hij dat natuurlijk nooit hardop. “Het gaat om het spel, niet om de punten,” zei hij dan, terwijl hij de bal hoog opspinnde en ik hem met een jubelkreet terugkaatste.

Wat ik bijzonder vond, was hoe opa het leven eenvoudig hield. Hij had geen groot huis of dure spullen nodig. Zijn woonboot dreef rustig mee op de seizoenen, en hij paste zich moeiteloos aan. In de zomer zaten we buiten, benen bungelend over de rand, ijsje in de hand. In de winter luisterden we binnen naar de regen op het dak, terwijl hij een boek las en ik een puzzel maakte. En altijd, maar dan ook altijd, stond er wel ergens een pot abrikozenjam klaar.

Soms, tijdens een spel tafeltennis of terwijl we samen naar de ondergaande zon keken, vertelde hij verhalen. Over hoe hij jong was, hoe hij met vrienden langs rivieren zwierf, en hoe hij ooit had besloten op een woonboot te gaan wonen. Hij zei dat het water hem vrijheid gaf. “Je kunt hier ademen,” zei hij, “en als je goed kijkt, zie je elke dag een andere wereld weerspiegeld.” Die woorden bleven me bij.

Na afloop van een lange dag speelde het ritueel zich opnieuw af. Een schaaltje yoghurt, een lepel abrikozenjam. Soms at ik het snel op, soms liet ik de jam langzaam naar beneden zakken tot er gouden strepen door het wit liepen. Opa keek tevreden toe, alsof hij wist dat dit kleine ritueel ooit een groot anker in mijn herinnering zou worden.

Nu, jaren later, denk ik vaak terug aan die avonden op de woonboot. Ik hoor het tikken van de pingpongbal op hout, het zachte klotsen van water tegen de romp, en zie de glimlach van mijn opa terwijl hij een lepel jam op de yoghurt liet glijden. Wanneer ik tegenwoordig een pot abrikozenjam koop, voelt het alsof ik een stukje van die wereld terughaal. Het is niet alleen een smaak, maar een herinnering: aan spel en rust, aan vrijheid en eenvoud, aan een opa die me leerde dat geluk soms in de kleinste dingen zit.

Misschien is dat wel de grootste les die hij me naliet. Je hoeft niet ver te reizen of grootse avonturen te beleven om bijzondere momenten te ervaren. Soms is het genoeg om op een houten steiger een potje tafeltennis te spelen, daarna een toetje met abrikozenjam te eten, en simpelweg te genieten van het leven zoals het komt.

Plaats een reactie

meer verhalen